Achtergrond
Het probleem
De meeste van onze bossen zijn jong, niet ouder dan 100 jaar. Lange tijd waren onze bossen geen bos. Door ontbossing vanaf de late middeleeuwen verdwenen kenmerkende plant- en diersoorten. Er is geen zaadbank meer en relictpopulaties ontbreken.

Daardoor zijn onze bossen arm aan soorten: wat we er niet zelf naartoe hebben gebracht, is er niet. De boomsoortensamenstelling is meestal beperkt tot grove den, Corsicaanse en Oostenrijkse den, douglasspar, zomereik, Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers. Ook de struiklaag is vrij soortenarm. Lijsterbes en vuilboom vinden we veelvuldig in onze bossen maar soorten als hazelaar, Europese vogelkers en Gelderse roos zien we nauwelijks – inheemse soorten die er ooit wel waren.

Uiteindelijk zullen spontane processen wel leiden tot een hogere biodiversiteit, maar dit duurt lang, decennia zo niet eeuwen.
Binnen een ecosysteem hangt alles met elkaar samen. Planten, schimmels, insecten, vogels en zoogdieren zijn van elkaar afhankelijk in complexe (voedsel)netwerken: ontbreken (sleutel)soorten, dan zullen ook andere soorten zich niet vestigen. Zonder plantenrijkdom blijft de biodiversiteit in het bos achter. Behalve dat het jammer is dat kenmerkende soorten van onze bossen zijn verdwenen, maakt een hoge biodiversiteit bossen ook robuuster, bijvoorbeeld tegen stormen, ziektes en klimaatverandering.

Tenslotte; veel van de soorten die onze bossen domineren hebben arm, slecht verteerbaar strooisel en zorgen daardoor voor verdere verzuring en verarming van de bodem.

Gerelateerd aan dit probleem: